Inspiratiegids Effectieve onderwijsaanpassingen voor cognitief sterk functionerende leerlingen: versnellen en verrijken



Inspiratiegids

Effectieve onderwijs­aanpassingen

voor cognitief sterk functionerende

leerlingen: versnellen en verrijken

Reviewstudie voor de onderwijspraktijk

Inspiratiegids

Effectieve onderwijsaanpassingen

voor cognitief sterk functionerende

leerlingen: versnellen en verrijken

Reviewstudie voor de onderwijspraktijk

Karine Verschueren, Femke Vandenbroucke,

Akemi Watanabe Morales, Sofie Bergé

In opdracht van

W EG WIJS

Kaderstukken

In de gekleurde tekstkaders vind je extra informatie.

De  blauwe kaders  vertellen je meer over wetenschappelijke

achtergronden en/of begrippen, de  paarse kaders  bevatten

praktijkvoorbeelden of tips voor de praktijk.

Bijlagenbundel

De bijlagenbundel bij deze inspiratiegids bevat een uit­

gebreidere toelichting bij de methodologische stappen van de

scoping review en de systematische review over versnellen

en verrijken. Je vindt er ook een overzicht van de effect­

groottes uit meta-analyses over versnellen en verrijken.

De bundel is beschikbaar op de website van Leerpunt.

IN H O U D

1. Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 07

2. Cognitief sterk functioneren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 08

2.1. Definitie en kenmerken

2.2. Specifieke onderwijsnoden

3. Versnellen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 11

3.1. Review: methodologie

3.2. Vormen van versnellen

3.3. Effectiviteit

3.4. Aandachtspunten voor de onderwijspraktijk

4. Verrijken . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25

4.1. Review: methodologie

4.2. Vormen van verrijken

4.3. Effectiviteit

4.4. Aandachtspunten voor de onderwijspraktijk

5. Conclusie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39

5.1. Samenvatting

5.2. Wat weten we nog niet?

Verklarende woordenlijst . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 43

Referenties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44

06

Inspiratiegids Effectieve onderwijsaanpassingen CSF-leerlingen

07

Inleiding

Uit onderzoek naar kennishiaten binnen het Vlaamse

onderwijs in 2025 blijkt dat onderwijsactoren een tekort

aan kennis rapporteren over gedifferentieerde instruc­

tie en passend onderwijs voor cognitief sterk functio­

nerende (CSF) leerlingen. Dit kennishiaat situeert zich

op het niveau van zowel brede basiszorg als verhoogde

zorg. Zo is er onder meer behoefte aan kennis over hoe

CSF-leerlingen extra uitgedaagd kunnen worden via

verrijking binnen of buiten de klas en/of door hen te

dispenseren van leerstof waarvan de leerdoelen al zijn

bereikt1.

Vertrekkend vanuit deze kennisnoden en het belang

van evidence-informed werken in de onderwijsprak­

tijk werd een reviewstudie uitgevoerd, waarin de

beschikbare wetenschappelijke literatuur over effec­

tieve onderwijsaanpassingen voor CSF-leerlingen

systematisch werd samengebracht en geanalyseerd.

In de internationale literatuur over ‘gifted education’

en ‘talent development’ worden deze onderwijsaan­

passingen vaak samengebracht onder de noemers

‘enrichment’ (verrijking) en ‘acceleration’ (versnelling).

Beide kennen verschillende vormen en zijn ook deels

overlappend. Verrijking omvat alle maatregelen die

de leerstof verbreden en/of verdiepen, verder dan het

reguliere curriculum voorziet. Verrijking kan geboden

worden binnen de klas (in het kader van binnenklas­

differentiatie2,3), buiten de klas (bijvoorbeeld in externe

verrijkingsklassen of ‘pull-out classes’) of buiten de

school (bijvoorbeeld in zomerscholen4). Bij versnelling

doorlopen leerlingen de leerstof in sneller tempo of op

een jongere leeftijd dan gebruikelijk5. Bekende vormen

zijn jaarversnelling of vakversnelling.

1. Inleiding

Verrijking en versnelling vormen centrale pijlers

binnen aangepast onderwijs aan CSF-leerlingen4,6.

Binnen het zorgcontinuüm zijn ze te situeren in de fase

van de brede basiszorg (fase 0) en verhoogde zorg

(fase 1) waarin scholen redelijke aanpassingen voorzien.

Centraal in het leersteundecreet7 staat het streven

naar kwaliteitsvol onderwijs, zodat alle leerlingen kan­

sen krijgen om zich optimaal te ontwikkelen met een

maximale leerwinst. Redelijke aanpassingen voor CSF-

leerlingen betreffen niet zozeer het wegnemen van hin­

dernissen om deel te nemen aan het onderwijsaanbod

(via onder meer remediëren of compenseren), maar het

aanpassen van de leeromgeving zodat ook zij tot opti­

male leerwinst en ontwikkeling kunnen komen. Leraren

geven aan nood te hebben aan evidence-informed

methoden om CSF-leerlingen een passend onderwijs­

aanbod te geven1.

We voerden een reviewstudie uit over de effectiviteit

van verschillende vormen van verrijken en versnellen

voor CSF-leerlingen in het reguliere basis- en secundair

onderwijs. In dit rapport bespreken we de bevindingen

van deze reviewstudie. Omdat het rapport zich richt op

de onderwijspraktijk doen we dat op een toegankelijke

wijze en vullen we aan met tips en aanbevelingen voor

de praktijk. Om de leesbaarheid te bevorderen, is een

verklarende woordenlijst opgenomen waarin een aantal

wetenschappelijke begrippen worden toegelicht.

08

Inspiratiegids Effectieve onderwijsaanpassingen CSF-leerlingen

2. Cognitief sterk functioneren

2.1. Definitie en kenmerken

In de internationale literatuur zijn verschillende defi­

nities van cognitief sterk functioneren voorhanden. In

het Vlaamse onderwijsbeleid worden cognitief sterk

functionerende leerlingen (CSF-leerlingen) gedefini­

eerd als leerlingen met sterke cognitieve capaciteiten

of vaardigheden die al dan niet worden omgezet in

sterke leerprestaties, onder invloed van niet-cognitieve

leerlingkenmerken of omgevingskenmerken8,9. Ook

leerlingen met sterke leerprestaties of een leervoor­

sprong, bij wie geen bijkomende informatie is over hun

onderliggende capaciteiten, behoren tot deze groep.

Sterke vaardigheden kunnen zich voordoen binnen één

domein, bijvoorbeeld taal of wiskunde, of over verschil­

lende domeinen heen. Maatregelen voor CSF-leerlingen

kunnen, afhankelijk van hun doelen, bijgevolg betrek­

king hebben op de ruimere groep of op subgroepen

van CSF-leerlingen (bijvoorbeeld leerlingen met sterke

wiskundige vaardigheden).

We definiëren leerlingen als cognitief sterk wanneer zij

behoren tot de top 10% in vergelijking met hun leef­

tijdsgenoten (voor cognitieve vaardigheden) of jaarge­

noten (voor leerprestaties). Door CSF-leerlingen op deze

manier te definiëren, beschrijven we een ruime groep.

Ook hoogbegaafde en uitzonderlijke hoogbegaafde

leerlingen (doorgaans gedefinieerd als respectievelijk

top 2,5% en top 0,1%) maken hier deel van uit.

In de onderwijspraktijk wordt de 10%-grens flexibel

gehanteerd en staat het bepalen van onderwijsbe­

hoeften centraal9. Om deze behoeften te bepalen,

worden diverse informatiebronnen benut, zoals bijvoor­

beeld gegevens uit het leerlingvolgsysteem, gerichte

klasobservaties, gesprekken met ouders en leerling,

cognitieve testscores (IQ-tests)8,10. Het signaleren van

CSF-leerlingen verloopt idealiter systematisch en doel­

gericht, en ingebed in de visie op CSF, het pedagogisch

project en het bredere beleid op leerlingenbegeleiding

van de school10.

Sterke cognitieve vaardigheden uiten zich niet alleen in

prestaties op cognitieve tests, maar zijn ook zichtbaar in

leergedrag in de klas.

Leerkenmerken10 die typerend zijn voor CSF-leerlingen

zijn onder meer:

y een groot probleemoplossend vermogen;

y sterke analytische vaardigheden;

y het makkelijk abstract kunnen denken;

y het kunnen zetten van grote denk- en leerstappen;

y een brede algemene kennis;

y een sterk geheugen;

y het flexibel toepassen van oplossingsstrategieën.

In de internationale literatuur spreekt men over deze

groep als ‘high ability’, ‘gifted’, ‘gifted and talented’,

enz. De gehanteerde drempelwaarden in de studies in

dit rapport variëren doorgaans tussen top 2,5% en top

10%. De identificatie in deze studies gebeurt op basis

van gestandaardiseerde cognitieve tests en/of school­

resultaten, soms aangevuld met leraaroordelen, ouder­

informatie of observaties.

2.2. Specifieke onderwijsnoden

Omwille van hun specifieke leerkenmerken hebben

CSF-leerlingen nood aan een specifieke onderwijsaan­

pak. Zo zorgt het feit dat zij snel van begrip zijn en een

sterk geheugen hebben ervoor dat zij weinig tot geen

behoefte hebben aan herhaling en kunnen leren met

minimale instructie. Ook dient het tempo van het door­

lopen van het curriculum voor deze leerlingen hoger

te liggen om hen geboeid en gemotiveerd te houden10.

Het grote probleemoplossend en analytisch vermogen

vraagt om een andere manier van aanbrengen en laten

verwerken van de leerstof. Deze leerlingen geven door­

gaans de voorkeur aan een top-down-benadering, in

tegenstelling tot de klassieke opbouw van het curricu­

lum. Dit verbetert de motivatie en de leerprestaties van

CSF-leerlingen11.

CSF-leerlingen vormen, net als andere leerlingen, een

heterogene groep. Ze verschillen onderling in hun

sociaal-emotionele behoeften. Gemiddeld genomen

tonen studies echter niet aan dat CSF-leerlingen meer

sociaal-emotionele problemen hebben dan andere

leerlingen12. Wel is het belangrijk voor de motivationele

en affectieve ontwikkeling van CSF-leerlingen om hen

reeds vanaf het basisonderwijs voldoende cognitieve

uitdaging te bieden om demotivatie en onderpresteren

te vermijden13,14.

09

Cognitief sterk functioneren

Een specifieke onderwijsaanpak is dus nodig om te

beantwoorden aan de leerkenmerken en -noden van

CSF-leerlingen. Hiervoor bestaan verschillende effec­

tieve strategieën. In dit rapport gaan we dieper in op

twee strategieën, namelijk versnellen en verrijken. Deze

tweedeling sluit aan bij de internationale literatuur,

waarin onderwijsaanpassingen voor CSF-leerlingen vaak

worden ondergebracht in deze twee brede categorieën15.

Met versnellen bedoelen we acties die ertoe leiden dat

leerlingen het curriculum sneller doorlopen dan voor­

zien volgens de gekende systemen (zoals de leerplan­

nen of het jaarklassensysteem). Met verrijken verwijzen

we naar alle aanpassingen die het curriculum verbreden

Top-down-benadering

Bij een top-down-benadering vertrekken leerlingen

vanuit een globaal, betekenisvol geheel (een complex

probleem, een kerngedachte of een einddoel). Van

daaruit worden de onderliggende concepten, kennis

en vaardigheden verdiept en verfijnd. Deze benadering

staat in contrast met het klassieke curriculum waarbij

leerstof stap voor stap wordt opgebouwd van deelvaar­

digheid naar geheel.

Bijvoorbeeld: In plaats van eerst afzonderlijke reken­

procedures aan te leren, krijgen CSF-leerlingen meteen

een complex probleem uit de dagelijkse realiteit voor­

geschoteld. Tijdens het oplossen van het probleem

worden de verschillende nodige strategieën en proce­

dures aangeleerd tijdens instructiemomenten. Op deze

manier krijgt leren onmiddellijk betekenis en zien leer­

lingen de samenhang tussen de verschillende bouw­

stenen die in het klassieke curriculum één voor één

worden aangereikt.

en/of verdiepen, verder dan het reguliere curriculum

voorziet.

In wat volgt gaan we eerst in op versnellen, nadien op

verrijken. Per strategie bespreken we eerst kort de

methodologie van de uitgevoerde reviewstudie, waarna

we de effectiviteit bespreken van de betreffende onder­

wijsstrategieën en de link leggen met de onderwijsprak­

tijk in Vlaanderen. Versnellen en verrijken worden niet

alleen toegepast om te beantwoorden aan leernoden

van CSF-leerlingen, maar kunnen ook doelen hebben op

sociaal of psychologisch vlak. Daarom bekijken we de

effecten op zowel leeruitkomsten als sociaal-psycholo­

gische uitkomsten.

10

Inspiratiegids Effectieve onderwijsaanpassingen CSF-leerlingen

11

Versnellen

3. Versnellen

In dit onderdeel bespreken we eerst de methodologie

van de review naar versnellen (3.1). Nadien gaan we in

op de definities (3.2) van verschillende vormen van ver­

snelling en bespreken we de effectiviteit (3.3) van deze

onderwijsinterventie. Ten slotte bespreken we enkele

aandachtspunten (3.4) bij het toepassen van versnellen.

3.1. Review: methodologie

De reviewstudie verliep in twee opeenvolgende fasen.

In een eerste fase voerden we een scoping review uit.

Dit is een brede verkenning van de wetenschappe­

lijke literatuur. Deze fase had als doel om na te gaan

welke vormen van versnellen er bestaan en hoe deze

gedefinieerd worden. We startten met een zoektocht

naar recente meta-analyses, internationale reviews

of relevante hoofstukken. Zeven relevante publicaties

gepubliceerd vanaf 2015 werden geselecteerd. Na vol­

ledige lezing bleek dat twee publicaties door de andere

publicaties systematisch als referentie werden gebruikt

voor definiëring en conceptualisering. Deze twee publi­

caties16,17 vormden daarom de basis voor de conceptuele

afbakening en typologie van versnellen.

In een tweede fase volgde een systematische review.

Hierin werd gericht en volgens vaste stappen gezocht

naar wetenschappelijke literatuur over de effecten van

versnellen. Het doel van deze fase was om het empiri­

sch bewijs over de effectiviteit van versnellen systema­

tisch te analyseren. Het resultaat van de scoping review

vormde hiervoor het vertrekpunt: dit maakte duidelijk

welke vormen van versnellen in de literatuur centraal

staan en dus in deze tweede fase apart moesten wor­

den onderzocht.

Voor de systematische review namen we de meta-ana­

lyse van Rogers (2018)16 als vetrekpunt, waarin studies

tot 2015 werden opgenomen. In deze meta-analyse

werden studies samengebracht waarin de versnellings­

vorm toegepast werd bij CSF-leerlingen; de referentie­

groep bestond doorgaans uit leeftijdsgenoten die niet

aan de specifieke versnellingsvorm deelnamen.

De conclusies en effectgroottes uit deze publicatie

gebruikten we als basis. Vervolgens zochten we aanvul­

lend recente empirische publicaties om na te gaan of

recenter onderzoek de bestaande conclusies bevestigt,

nuanceert of aanvult. We waren daarbij met name geïn­

teresseerd in robuust, causaal bewijs voor de impact

van interventies verzameld via (quasi-)experimenteel

onderzoek. Startend van een screening van 213 artikels

werden uiteindelijk 13 empirische studies geselecteerd

voor opname in de systematische review. Het ging dan

over peer-reviewed Engelstalig onderzoek in basis- en

secundair onderwijs gepubliceerd vanaf 2015.

Methodologische stappen

Een uitgebreidere toelichting bij

de methodologische stappen van

de scoping review en de syste­

matische review over versnellen

vind je in de bijlagenbundel bij

deze inspiratiegids. Deze bundel

is beschikbaar op de website van

Leerpunt.

12

Inspiratiegids Effectieve onderwijsaanpassingen CSF-leerlingen

3.2. Vormen van versnellen

We onderscheiden op basis van de literatuur twee soor­

ten versnelling: de jaarversnelling en de vakversnelling.

Onder een jaarversnelling horen de praktijken waarbij

een leerling sneller door de opeenvolgende leerjaren

gaat dan gebruikelijk binnen het onderwijssysteem. Dit

kan door vroeger in te stromen, een leerling vroeger

in een hogere klas te plaatsen of meerdere leerjaren

in een kortere periode af te laten werken. Hierdoor

wordt de totale duur van het schooltraject verkort. Bij

een vakversnelling doorloopt de leerling de leerstof

voor een bepaald vak of domein aan een hoger tempo,

zonder dat dit een effect heeft op de totale duur van de

schoolloopbaan.

Tabel 1 geeft een overzicht van de verschillende vormen

van jaar- en vakversnelling.

Tabel 1. Vormen en definities van versnellen

VERSNELLEN

Een leerling doorloopt het curriculum aan een hoger tempo dan voorzien

volgens de gekende systemen (leerplannen, jaarklassen …).

JAARVERSNELLING

Een leerling doorloopt het traject in het basis- en/of secundair onderwijs sneller

dan gebruikelijk en kan dus vroeger starten in het secundair of hoger onderwijs.

vervroegde instroom

Een leerling stroomt vroeger dan gebruikelijk in een bepaald onderwijsniveau in.

(radicale) jaarversnelling

Een leerling slaat een leerjaar of meerdere leerjaren over.

‘grade telescoping’/continue

vooruitgang

Een leerling verwerkt de leerstof van meerdere jaren in een kortere tijd.

VAKVERSNELLING

Een leerling verwerkt de leerstof van een bepaald vak of domein aan een

hoger tempo, zonder dat dit een effect heeft op de totale duur van de

onderwijsloopbaan.

vakversnelling

Een leerling doorloopt het programma van een bepaald vak aan een hoger tempo.

‘Advanced Placement’

(Deze vorm van versnelling komt

niet voor in Vlaanderen)

Een leerling secundair onderwijs doorloopt op de secundaire school leerstof van

een vak uit het hoger onderwijs, volgens een specifiek vastgelegd curriculum. De

leerling legt hiervoor een nationaal gestandaardiseerd examen af dat bij slagen

een vrijstelling oplevert.

gelijktijdige inschrijving

Een leerling volgt onderwijs op twee niveaus. De leerling legt ook examen af voor

het vak op het hogere niveau.

13

Versnellen

Jaarversnelling

Binnen de jaarversnelling (‘grade-based acceleration’)

onderscheiden we drie vormen: vervroegde instroom,

jaarversnelling en ‘grade telescoping’.

Vervroegde instroom

Een vervroegde instroom (‘early entrance’) houdt in

dat een leerling op een jongere leeftijd dan gebrui­

kelijk instroomt in een bepaald onderwijsniveau en

vervolgens voltijds deelneemt aan het onderwijs op

dat hogere niveau. Een vervoegde instroom kan in elk

onderwijsniveau plaatsvinden, bijvoorbeeld vroeger

instromen in de lagere school of in het hoger onderwijs

(zie ook kader ‘Regelgeving en tips bij het toepassen van versnel­

ling in Vlaanderen’).

(Radicale) jaarversnelling

Een jaarversnelling (‘grade skipping’) is een versnelling

waarbij een volledig leerjaar wordt overgeslagen. Zo kan

een leerling bijvoorbeeld na het eerste leerjaar meteen

overgaan naar het derde leerjaar. Een jaarversnelling

kan in elk onderwijsniveau (kleuter, lager, secundair)

plaatsvinden en kan in principe ook op elk moment

in een schooljaar gebeuren. Ook administratief is dit

mogelijk: de klassenraad kan bijvoorbeeld na de evalu­

atie van het eerste semester beslissen om een leerling

vervroegd te delibereren, waarna die kan instromen in

een hoger leerjaar.

Een radicale jaarversnelling (‘radical grade skipping’)

verwijst naar een versnelling waarbij een leerling twee

of meer leerjaren voorloopt op leeftijdsgenoten, of

meerdere jaren vroeger afstudeert dan normaal ver­

wacht. Radicale versnelling ontstaat niet altijd door één

grote sprong, maar meestal door een opeenstapeling

van maatregelen, zoals vervroegde instroom, jaarver­

snelling, gelijktijdige inschrijving, en andere vormen van

versnelling.

‘Grade telescoping’

‘Grade telescoping’ is een vorm van geplande ver­

snelling waarbij een leerling de leerstof van meerdere

jaren in een kortere tijd verwerkt. De periodewaarin

dit gebeurt, wordt vooraf vastgelegd in een aangepast

leertraject. Deze vorm van versnellen heeft uiteindelijk

hetzelfde resultaat als een jaarversnelling, namelijk het

plaatsen van de leerling in een hogere klas. Een voor­

beeld van ‘grade telescoping’ is het doorlopen van drie

leerjaren in twee schooljaren.

Continue vooruitgang is een flexibele vorm van ‘grade

telescoping’; bij continue vooruitgang wordt het pro­

gramma niet op voorhand vastgelegd, maar telkens

aangepast op basis van de noden en de vorderingen van

de leerling in kwestie.

Vakversnelling

Ook binnen de vakversnelling (‘subject-based accele­

ration’) onderscheiden we drie vormen: vakversnelling,

‘Advanced Placement’ en gelijktijdige inschrijving.

Vakversnelling

Bij een vakversnelling (‘single-subject acceleration’)

doorloopt een leerling het programma voor één bepaald

vak aan een sneller tempo. Dit kan gebeuren door de

lessen te volgen in een hogere klas of door de leerstof

van een hogere klas zelfstandig (en met begeleiding

waar nodig) te verwerken.

‘Advanced Placement’

‘Advanced Placement’ (AP) is een vorm van vakversnel­

ling die wordt toegepast in de Verenigde Staten. In het

Vlaamse onderwijs bestaat dit systeem niet. Een leer­

ling secundair onderwijs volgt een vak van het hoger

onderwijs en legt ook het gestandaardiseerde examen

voor dit vak af. De lessen worden gegeven door leraren

die hiervoor specifiek opgeleid werden en vinden plaats

in de secundaire school. De inhoud van het vak wordt

vastgelegd in een nationaal curriculum. Indien de stu­

dent slaagt, levert dit studiepunten of toegang tot het

hoger onderwijs op.

Gelijktijdige inschrijving

Bij een gelijktijdige inschrijving (‘dual/concurrent enroll­

ment’) volgt een leerling een vak op één niveau en krijgt

tegelijkertijd studiepunten voor een parallel vak op een

hoger niveau. In de Vlaamse context is een gelijktijdige

inschrijving in twee onderwijsniveaus formeel niet

mogelijk, maar leerlingen kunnen wel vakken van een

hoger onderwijsniveau vooraf opnemen. Zo kunnen

leerlingen in de derde graad secundair onderwijs tege­

lijk een vak in het hoger onderwijs volgen. Ze volgen de

lessen in de instelling van het hoger onderwijs en leg­

gen daar ook het examen af. Een ander voorbeeld is een

leerling basisonderwijs die al enkele vakken mee volgt

in het secundair onderwijs.

14

3.3. Effectiviteit

In wat volgt gaan we dieper in op wat onderzoek zegt

over de effectiviteit van de verschillende vormen van

versnellen. Daarbij is het belangrijk om te verduidelijken

hoe effectiviteit in onderzoek meestal wordt bepaald.

Studies vergelijken versnelde leerlingen doorgaans

met twee soorten groepen: enerzijds met vergelijkbare

leeftijdsgenoten die niet versneld werden, en anderzijds

met hun nieuwe klasgenoten, die meestal ouder zijn.

De resultaten die we bespreken, gaan steeds over

algemene of gemiddelde effecten. Ze geven dus aan

wat onderzoek gemiddeld genomen vindt voor groe­

pen leerlingen. Dat betekent niet dat elke leerling op

dezelfde manier reageert op versnelling. Individuele

kenmerken, de klascontext, de begeleiding en de

manier waarop versnelling wordt uitgevoerd, blijven

belangrijk.

We bespreken telkens eerst de algemene effecten.

Wanneer studies aangeven dat de effecten verschillen

voor jongens en meisjes of andere subgroepen, lichten

we die verschillen daarna afzonderlijk toe.

We maken een onderscheid tussen de effecten op

academisch vlak (prestaties, studieloopbaan) en

de effecten op sociaal en psychologisch vlak. Met

effecten op sociaal vlak bedoelen we effecten op het

sociaal functioneren van leerlingen en hun interacties

met leeftijdsgenoten of ontwikkelingsgelijken (peers),

sociale vaardigheden, sociale aanvaarding, het deelne­

men aan sociale activiteiten, de perceptie van sociale

ondersteuning en het gevoel ergens bij te horen. Met

psychologische effecten verwijzen we naar effecten op

het emotionele en motivationele functioneren van een

leerling, waaronder welbevinden, zelfbeeld, motivatie

en houding ten opzichte van leren en het leveren van

cognitieve inspanningen.

We bespreken steeds eerst de effecten die werden

vastgesteld in de meta-analyse van Rogers (2018)16

en vullen deze nadien aan met relevante bevindingen

uit recenter onderzoek. In de meta-analyse wordt

doorgaans geen onderscheid gemaakt tussen onder­

wijsniveaus. Wanneer dat wel het geval is, lichten we de

effecten apart toe. Bij de aanvullende studies vermel­

den we telkens het onderwijsniveau.

Regelgeving en tips bij het toepassen

van versnelling in Vlaanderen

Regelgeving maakt het in Vlaanderen mogelijk

om flexibele trajecten uit te werken en dus ver­

snellingen toe te passen voor CSF-leerlingen. Een

wijziging in de regelgeving maakt het sinds 1 sep­

tember 2022 voor scholen makkelijker om versnel­

lingen toe te passen82. Zo werd de minimumleeftijd

om in te stappen in de lagere school geschrapt,

zodat jaarversnellingen in het kleuteronderwijs

makkelijker kunnen doorgevoerd worden. Dezelfde

regelgeving laat toe om ook in het secundair

onderwijs jaar- en vakversnellingen toe te passen

door de klassenraad het beslissingsrecht hierover

toe te kennen.

In België geldt een minimumleeftijd (2,5 jaar) om

de onderwijsloopbaan te starten. Voor die leeftijd

kan een kind niet naar school gaan. Het is wel

mogelijk om een 2,5-jarige te laten starten in de

eerste kleuterklas in plaats van in de peuterklas,

ook dit wordt gezien als een vervroegde instroom.

Door een gewijzigde regelgeving is het sinds 1

september 2025 mogelijk dat leerlingen die les

volgen in het basisonderwijs vakken opnemen in

het secundair onderwijs83. Hoe je een dergelijk

traject kan aanpakken, wordt uitgeschreven in de

voorbeeldpraktijk ‘Lesbijwoning in het secundair

onderwijs’ die je terugvindt op de website www.

projecttalent.be.

In het secundair onderwijs is het mogelijk om

leerlingen gelijktijdig al enkele vakken in het hoger

onderwijs te laten opnemen. Daarnaast kan je

ook andere vormen van versnelling organiseren.

Voorbeelden van dergelijke versnellingstrajecten

vind je terug in de ‘Leidraad voor Versnellen in het

secundair onderwijs’ op de website www.project­

talent.be.

15

Versnellen

Jaarversnelling

Vervroegde instroom

In de meta-analyse16 wordt een onderscheid gemaakt

tussen een vervroegde instroom in het basisonderwijs

en vervroegde instroom in het hoger onderwijs. Voor

het basisonderwijs gaat het in de internationale litera­

tuur vaak over vervroegde instroom in kindergarten of

first grade. In Vlaanderen is dit ongeveer vergelijkbaar

met vervroegde instroom in de derde kleuterklas of het

eerste leerjaar.

Een vervroegde instroom heeft een klein positief effect

op de leerprestaties van CSF-leerlingen. Leerlingen

die vroeger instromen, presteren op academisch vlak

doorgaans beter dan leeftijdsgenoten die op het gebrui­

kelijke moment starten. Het effect op de academische

uitkomsten is consistent aanwezig en geldt zowel voor

een vervroegde instroom in het basisonderwijs als voor

een vervroegde instroom in het hoger onderwijs.

Voor de effecten op de sociale en psychologische ont­

wikkeling geldt een genuanceerder beeld. Ook zien we

een verschil naargelang de ontwikkelingsfase waarin de

versnelling gebeurt. Bij een vervroegde instroom in het

basisonderwijs zijn er op sociaal vlak lichte voordelen

merkbaar, maar op psychologisch vlak – zoals welbevin­

den en zelfbeeld – kunnen er kleine nadelen optreden.

Omdat deze effecten klein zijn en gebaseerd op een

beperkt aantal studies met uiteenlopende uitkomsten,

moeten ze voorzichtig geïnterpreteerd worden. Een

goede voorbereiding en opvolging van de leerling zijn

hoe dan ook belangrijk bij deze vorm van versnelling.

Bij een vervoegde instroom naar hoger onderwijs zien

we kleine positieve effecten op sociaal en psycholo­

gisch vlak.

Er werden geen nieuwe studies gevonden die voldeden

aan onze inclusiecriteria. De effecten die de meta-ana­

lyse16 rapporteert, geven dus het meest volledige beeld.

Samenvatting effectiviteit van vervroegde

instroom

Een vervroegde instroom heeft een klein positief

effect op de academische prestaties van CSF-

leerlingen. De effecten op sociaal en psycholo­

gisch vlak zijn afhankelijk van de leeftijd waarop

de interventie plaatsvindt. Op kleuterleeftijd zijn

er op sociaal vlak lichte voordelen, maar op psy­

chologisch vlak zijn er lichte nadelen mogelijk. Een

goede voorbereiding en opvolging zijn hier dan

ook belangrijk. Bij een vervroegde instroom in het

hoger onderwijs werden kleine positieve effecten

vastgesteld.

Effectgroottes

Om het effect van een interventie in

te schatten, kijken we niet alleen of

het gevonden effect waarschijnlijk

niet op toeval berust (significantie),

maar ook naar de effectgrootte.

Deze maat helpt ook om resultaten

uit verschillende studies met elkaar

te vergelijken en om in te schatten

of een verschil in de praktijk eerder

beperkt is of juist duidelijk merk­

baar is. Doorgaans wordt hiervoor

de maat Cohen’s dgebruikt, een

gestandaardiseerde maat voor de

grootte van het verschil tussen twee

groepen, bijvoorbeeld leerlingen

die wel of niet deelnemen aan een

bepaalde onderwijsinterventie84.

We hanteren volgende omschrijvin­

gen als richtinggevende interpre­

tatie:

y Klein effect: een beperkt, maar

merkbaar verschil tussen leerlin­

gen die wel of niet deelnemen aan

de onderwijsaanpassing (d = .20)

y Matig effect: een duidelijk verschil

tussen leerlingen die wel of niet

deelnemen aan de onderwijsaan­

passing (d = .50)

y Groot effect: een sterk en uitge­

sproken verschil tussen leerlingen

die wel of niet deelnemen aan de

onderwijsaanpassing (d = .80)

Deze categorieën zijn richtingge­

vend: effectgroottes zijn contex­

tafhankelijk en kunnen per onder­

zoeksdomein verschillen85,86. In de

meta-analyse16 wordt benadrukt dat

ook kleine effecten in onderwijscon­

texten betekenisvol kunnen zijn

omdat uitkomsten zoals leerpresta­

ties of motivatie door veel factoren

worden beïnvloed. Een klein effect

kan dus steeds relevant zijn, zeker

wanneer de onderwijsaanpassing

goed uitvoerbaar is of wanneer de

effecten zich over meerdere jaren

kunnen opbouwen.

16

Inspiratiegids Effectieve onderwijsaanpassingen CSF-leerlingen

Vergelijken van groepen in wetenschappelijk onderzoek

Waarom is onderzoek over ver­

snellen niet eenvoudig? Wanneer

onderzoekers willen weten of een

onderwijsmaatregel werkt, vergelij­

ken ze doorgaans twee groepen: één

groep die de maatregel krijgt en één

groep die hem niet krijgt. Idealiter

gebeurt de toewijzing aan deze

groepen volgens toeval (random).

Bij een jaar overslaan is dat moeilijk.

Onderzoekers kunnen leerlingen

namelijk niet willekeurig laten ver­

snellen of niet laten versnellen. De

beslissing wordt meestal genomen

door ouders, leraren en scholen.

Dat betekent dat leerlingen die

versnellen vaak al verschillen van

leerlingen die dat niet doen bij­

voorbeeld op vlak van cognitieve

vaardigheden, ondersteuning thuis,

sociaaleconomische status, enz.

Deze factoren kunnen ook invloed

hebben op schoolprestaties of wel­

zijn. Daardoor is het niet eenduidig

aan te tonen of positieve resultaten

echt door het overslaan van een jaar

komen. Recentere studies houden

hiermee steeds beter rekening

door bijvoorbeeld gebruik te maken

van statistische technieken zoals

‘propensity score matching’, waarbij

versnelde leerlingen vergeleken wor­

den met niet-versnelde leerlingen

die zoveel mogelijk op hen lijken op

basis van eerdere prestaties en ach­

tergrondkenmerken. Hierdoor geven

recente studies met zorgvuldig

samengestelde vergelijkingsgroepen

een betrouwbaarder beeld van wat

versnelling gemiddeld genomen kan

opleveren.

Het ‘Big-Fish-Little-Pond’-effect

Het ‘Big-Fish-Little-Pond’-effect (BFLPE) beschrijft hoe

leerlingen hun eigen kunnen beoordelen door zich te

vergelijken met de leerlingen rondom hen. Een CSF-

leerling kan zich in een gewone klas heel competent

voelen, omdat die merkt sneller of makkelijker mee te

kunnen dan andere klasgenoten. Wanneer diezelfde

leerling terechtkomt in een klas of groep met allemaal

sterk presterende leerlingen, verandert de vergelij­

kingsgroep. De leerling is objectief nog altijd even sterk,

maar voelt zich minder sterk omdat de lat en de omge­

ving veranderd zijn. Onderzoek toont aan dat leerlingen

met vergelijkbare prestaties vaak een lager academisch

zelfconcept rapporteren in sterk presterende klassen

of scholen87,88,89. Dit effect gaat specifiek over aca­

demisch zelfconcept en zegt dus niets over wat een

leerling werkelijk kan, maar wel over hoe competent die

leerling zich voelt in vergelijking met anderen. Interna­

tionaal onderzoek bevestigt dat het BFLPE een robuust

en breed gerepliceerd fenomeen is dat teruggevonden

wordt over verschillende landen en onderwijssystemen

heen90,91.

Onderliggend spelen twee tegengestelde effecten. Een

negatief contrast-effect ontstaat wanneer leerlingen

zichzelf vergelijken met sterkere of even sterke klas­

genoten en daardoor hun eigen bekwaamheid lager

inschatten. Daarnaast kan ook een positief assimila­

tie-effect (ook wel ‘basking-in-reflected-glory’-effect92)

optreden. Leerlingen kunnen zich voor wat het beeld

van hun eigen kunnen betreft optrekken aan de groep

waartoe ze behoren en zich sterker voelen omdat ze

deel uitmaken van een hoog presterende groep. Deze

twee effecten kunnen tegelijk aanwezig zijn en elkaar

gedeeltelijk tegenwerken. In veel onderzoek blijkt het

negatieve contrast-effect sterker door te wegen dan

het positieve assimilatie-effect, waardoor het netto­

resultaat meestal een lager academisch zelfconcept

is29,32,93.

17

Versnellen

(Radicale) jaarversnelling

Jaarversnelling is de meest onderzochte vorm van ver­

snelling en heeft de sterkste evidentie. Het gemiddelde

effect van een jaarversnelling op de leerprestaties is

matig tot groot16. Versnelde leerlingen presteren sig­

nificant beter dan niet-versnelde leeftijdsgenoten. De

effecten op sociaal vlak zijn klein en op psychologisch

vlak matig.

Recenter empirisch onderzoek23,24 bevestigt deze effec­

ten op academisch vlak. Een groot Duits longitudinaal

onderzoek in het lager en secundair onderwijs toont

dat leerlingen die een leerjaar overslaan minstens even

goed presteren als even sterke maar oudere klasge­

noten, en significant beter dan vergelijkbare niet-ver­

snelde leeftijdsgenoten op verschillende taaltoetsen18.

Een grootschalig Amerikaans longitudinaal onderzoek

toont bovendien aan dat de voordelen van een vroege

jaarversnelling (in het basisonderwijs) standhouden tot

in het hoger onderwijs: versnelde leerlingen behalen

hogere scores op gestandaardiseerde toetsen, hogere

cijfers in het secundair én in het hoger onderwijs, en

nemen vaker deel aan verdiepende cursussen19.

Op het vlak van welbevinden en sociale aanpassing

is het beeld gemengder, maar overwegend positief

op langere termijn. Een Duits longitudinaal onderzoek

waarin leerlingen van het vierde tot het zesde leerjaar

werden gevolgd, vond geen aanwijzingen dat jaarver­

snelling de algemene schooltevredenheid of het gevoel

van onderlinge verbondenheid in de klas vermindert.

Versnelde leerlingen rapporteren een hoger acade­

misch zelfconcept en minder faalangst, al beoordelen

ze hun relaties met klasgenoten aanvankelijk iets min­

der positief dan niet-versnelde leerlingen20.

Een studie op basis van de PISA-data uit 41 landen

toont aan dat leerlingen die in een hoger leerjaar zitten

dan hun leeftijdsgenoten gemiddeld een iets lager

wiskundig zelfconcept rapporteren in vergelijking

met niet-versnelde leeftijdsgenoten. Dit kleine maar

robuuste effect blijft bestaan zelfs wanneer er rekening

wordt gehouden met de invloed van de eigen prestaties

en schoolgemiddelde prestaties en wordt verklaard

vanuit een veranderd referentiekader21. Leerlingen die

voorlopen, vergelijken zich met klasgenoten die ouder

zijn en verder staan in hun schoolloopbaan, waar­

door ze hun eigen wiskundige competentie strenger

beoordelen.

Deze aandachtspunten rond peer-relaties en aca­

demisch zelfconcept lijken zich niet te vertalen naar

negatieve effecten op lange termijn: versnelde leerlin­

gen en niet-versnelde leerlingen scoren enkele tot tien­

tallen jaren later vergelijkbaar op het vlak van psycholo­

gisch welbevinden, levenstevredenheid en zelfbeeld22.

In het Duitse onderzoek waarin leerlingen van het

vierde tot en met het zesde leerjaar werden gevolgd,

werden duidelijke geslachtsverschillen gevonden25.

Bij jongens leken vooral assimilatie-effecten te spelen:

zij haalden academisch zelfvertrouwen uit het feit dat

ze tot een sterkere, oudere klasgroep behoorden. Bij

meisjes was dit positieve patroon niet terug te vinden.

Hun academisch zelfconcept was lager dan dat van

vergelijkbare niet-versnelde meisjes. Hier leken con­

trast-effecten sterker mee te spelen: zij vergeleken zich

mogelijk meer negatief ten aanzien van oudere of sterk

presterende klasgenoten.

Een aandachtspunt is het feit dat een jaarversnelling

niet altijd volstaat. Zodra de leerling de overgeslagen

leerstof heeft ingehaald, kan de uitdaging en bijgevolg

ook de motivatie opnieuw afnemen. Onderzoek sugge­

reert dan ook dat jaarversnelling het meest effectief is

wanneer ze gecombineerd wordt met andere vormen

van differentiatie, zoals het aanbieden van verrijking of

een vakversnelling24,23.

18

Daarnaast is het ook belangrijk om oog te hebben voor

de sociale integratie27 van de versnelde leerling in de

nieuwe klasgroep. Het is nodig om de leerlingen hier de

nodige begeleiding en ondersteuning te bieden, zodat

de positieve effecten van een jaarversnelling behouden

blijven en de kans op negatieve vergelijking met klasge­

noten beperkt wordt.

Radicale jaarversnelling (twee of meer leerjaren over­

slaan) toont een vergelijkbaar beeld, met eveneens een

matig academisch effect. Op sociaal en psychologisch

vlak worden kleinere, maar ook positieve effecten

gerapporteerd in de meta-analyse16. Er werden geen

nieuwe studies gevonden die aan onze inclusiecriteria

voldeden; de bevindingen van de meta-analyse Rogers

(2018)16 blijven daarmee de meest actuele beschikbare

evidentie voor deze vorm van versnellen.

Sociale integratie van de versnelde

leerling in de nieuwe klasgroep.

Onderzoek in het lager onderwijs suggereert dat

het belangrijk is om aandacht te hebben voor de

sociale integratie van de versnelde leerling in de

nieuwe klasgrtoep25. Hoe kan je dit concreet doen?

y Voorafgaand aan de versnelling kan je ‘wen­

momenten’ organiseren. Zo kan de leerling

die zal versnellen deelnemen aan activiteiten

in de nieuwe klasgroep. Hierbij ligt de focus

niet op het verwerven van kennis, maar op

het integreren in de groep. Enkele zaken die je

kan organiseren zijn: meedoen met de lessen

lichamelijke opvoeding, muzische vorming of

wereldoriëntatie of meegaan op een klasuitstap.

y Voorzie in de nieuwe klas een buddy voor

de versnelde leerling. Deze persoon is het

aanspreekpunt voor de versnelde leerling en

zorgt er mee voor dat die snel mee is met de

routines van de klas en zich thuis kan voelen in

de nieuwe groep.

y Maak voorafgaand aan de versnelling tijd om

vragen en bezorgdheden van de leerling te

beluisteren en te beantwoorden. Zorg ervoor

dat de leerling vooraf al een goed zicht heeft op

en kennis heeft van afspraken en gebruiken in

de nieuwe klas.

y Ook na de versnelling zorg je ervoor dat er tijd

en ruimte is om vragen te beantwoorden en de

ervaringen van de leerling te beluisteren.

Je kan het ‘Versnellingsdagboek’ gebruiken om de

sociale integratie op te volgen. Het is de bedoeling

dat dit dagboek wordt ingevuld door de leerling, de

nieuwe klasleraar en de ouders. Het dagboek fun­

geert als communicatiemiddel tussen alle betrok­

ken partijen en draagt bij aan een goede opvolging

van de versnelling. Je vindt dit dagboek op www.

projecttalent.be.

Samenvatting effectiviteit van jaar­

versnelling

Jaarversnelling heeft een matig positief

effect op het academisch presteren

van CSF-leerlingen, dat aanhoudt tot

in het hoger onderwijs. Op sociaal en

psychologisch vlak zijn de effecten klein

en positief al is er aandacht nodig voor

effecten rond sociale vergelijking – in

het bijzonder bij meisjes - en integratie

in de nieuwe groep.

Opvolging op de lange termijn toont

geen negatieve effecten op sociaal en

psychologisch vlak. Jaarversnelling is

het meest effectief in combinatie met

andere, brede differentiatiemaatregelen,

zoals verrijking.

’Grade telescoping’/continue vooruitgang

De meta-analyse16 toont een klein positief effect van

‘grade telescoping’ op leerprestaties. Over de effecten

op sociaal en psychologisch vlak zijn er geen gegevens

beschikbaar. Na 1991 werd er geen nieuw empirisch

onderzoek over ‘grade telescoping’ gepubliceerd 16.

Ook in het kader van deze reviewstudie werden geen

recente studies gevonden die voldeden aan de inclu­

siecriteria. De bevindingen van Rogers (2018)16 blijven

daarmee de meest actuele beschikbare evidentie voor

deze vorm van versnellen.

19

Versnellen

Vakversnelling

Vakversnelling

De meta-analyse 16 toont kleine tot matige positieve

effecten van een vakversnelling op leerprestaties. Er

is minder evidentie voor de effecten op de sociale ont­

wikkeling, maar de gevonden effecten zijn neutraal tot

klein en positief. Er is meer evidentie voor de psycholo­

gische effecten: deze zijn klein en positief.

Bijkomende studies niet opgenomen in de meta-analyse

onderzochten uitsluitend vakversnelling in wiskunde.

Een Amerikaanse studie24 leert ons dat een gerichte

wiskundeversnelling in het eerste jaar secundair

onderwijs op korte termijn geen directe impact had

op wiskundeprestaties, maar op langere termijn wel

een invloed had op het leertraject van een leerling.

Leerlingen die versneld waren voor wiskunde, kozen

vaker voor gevorderde wiskunde in het hoger onderwijs.

Dit effect was groter bij meisjes dan bij jongens. Deze

leerlingen waren ook sterker voorbereid op het hoger

onderwijs: ze scoorden hoger op een gestandaardi­

seerde toets die in de VS gebruikt wordt als indicator

voor ‘college-readiness’ en waren ambitieuzer.

Een andere, recentere Amerikaanse studie25 naar vak­

versnelling voor wiskunde in het lager onderwijs toont

eveneens aan dat versnelling het verdere leertraject

beïnvloedt: versnelde leerlingen blijven vaker deelne­

men aan gevorderde wiskunde in latere leerjaren.

In dit onderzoek werden duidelijke geslachtsverschil­

len gevonden. Voor jongens werden geen effecten

gevonden op korte-termijn-prestaties of motivationele

uitkomsten. Voor meisjes daarentegen werd een daling

geobserveerd in korte-termijn- wiskundeprestaties en

onderwijsambities. Deze negatieve effecten werden

vooral gezien bij online versnelling. Als mogelijke verkla­

ring wijzen ze naar de invloed van genderstereotypen

rond wiskunde. Meisjes kunnen tijdelijk extra druk

ervaren wanneer wiskunde wordt gezien als een domein

waarin jongens sterker zouden zijn. Die druk kan invloed

hebben op hun zelfvertrouwen en prestaties.

Daarnaast wijst deze studie ook naar bredere gender­

patronen in wiskunde. Om aan de toelatingstoets voor

versnelling te mogen deelnemen, moesten leerlingen

namelijk eerst genomineerd worden door een ouder of

de school. Meisjes werden minder vaak genomineerd

dan jongens, zelfs bij vergelijkbare prestaties. Deze

studie wijst erop dat vakversnelling zorgvuldig geor­

ganiseerd moet worden, met voldoende instructie,

interactie en opvolging, en met aandacht voor gender­

stereotypen rond wiskunde.

Samenvatting effectiviteit van vakversnelling

Onderzoek toont kleine tot matige positieve effec­

ten van vakversnelling op de leerprestaties van

CSF-leerlingen. Op sociaal vlak zijn de effecten

neutraal tot zwak positief. De psychologische

effecten zijn klein en positief.

Het vroeg signaleren van sterke (wiskunde)vaar­

digheden is belangrijk om tijdig in te spelen op de

onderwijsnoden van deze leerlingen. Een vakver­

snelling (voor wiskunde) kan daarbij een belang­

rijke onderwijsaanpassing zijn. Onderzoek wijst

erop dat dit een positief effect kan hebben op de

onderwijsloopbaan, meer bepaald op trajectkeu­

zes en de voorbereiding op het hoger onderwijs.

Tegelijk suggereert onderzoek dat de effecten niet

voor alle leerlingen gelijk zijn en vooral meisjes

bijzondere aandacht behoeven; zij kunnen tijdelijk

minder sterke resultaten behalen en hierdoor

onzekerder worden. Dit bleek vooral zo te zijn

wanneer de vakversnelling online werd georgani­

seerd. Een vakversnelling is het meest effectief

wanneer de moeilijkere leerstof gepaard gaat met

voldoende instructie, interactie en begeleiding in

de klas.

20

Inspiratiegids Effectieve onderwijsaanpassingen CSF-leerlingen

‘Advanced Placement’

‘Advanced Placement’ (AP) heeft matig positieve effec­

ten op leerprestaties. Leerlingen die deelnemen aan

AP-cursussen presteren op academisch vlak beter dan

niet-versnelde leerlingen16. Dezelfde meta-analyse laat

zien dat AP een neutraal effect heeft op sociaal vlak

en kleine positieve effecten op psychologisch vlak. Er

worden geen systematische negatieve psychologische

effecten van AP gerapporteerd.

Een bijkomende Amerikaanse studie26 nuanceert de

positieve effecten op de leerprestaties: deze academi­

sche voordelen van AP bleken enkel te gelden voor leer­

lingen die het AP-examen succesvol afleggen. Enkel

ingeschreven zijn in een AP-cursus, zonder het examen

af te leggen of hiervoor te slagen, heeft nauwelijks

effect op de leerprestaties.

Een ander Amerikaans onderzoek27 biedt meer inzicht

in de vastgestelde effecten op psychologisch vlak. Zo

blijkt dat deelname aan AP-wiskunde licht samenhangt

met een grotere interesse in STEM-georiënteerde

Samenvatting effectiviteit

van Advanced Placement

‘Advanced Placement’ (AP) gaat

gepaard met matig positieve

effecten op academisch vlak voor

CSF-leerlingen die slagen voor het

bijbehorende gestandaardiseerde

examen.

De effecten op sociaal en psycholo­

gisch vlak zijn beperkt, maar posi­

tief. Deze effecten hangen deels

samen met het feit dat voor AP

sterk presterende, gemotiveerde

leerlingen geselecteerd worden.

Deelname aan vakken op gevorderd

niveau zoals AP kan zorgen voor

een stimulerende context omdat

het leerlingen in contact brengt

met peers die sterk betrokken zijn

bij leren.

Getuigenissen van leerlingen over

voorafname van vakken in hoger

onderwijsniveau

Lasse (12 jaar, eerste jaar secundair onderwijs):

“Aan het einde van het vijfde leerjaar zei de school

dat ik naar het eerste middelbaar mocht gaan in

plaats van naar het zesde leerjaar. Ik zag dat niet

zitten, ik wou samen met mijn vrienden naar het

zesde leerjaar. Toen vond de school de oplossing

dat ik vanaf januari vakken mee mocht gaan volgen

in het eerste middelbaar. Op maandag- en op vrij­

dagnamiddag ging ik met de fiets van mijn lagere

school naar de middelbare school en ik volgde

daar Latijn en een keuzevak (wetenschappen). Ik

vond dat heel leuk om te doen, zo had ik toch wat

uitdaging, want het zesde leerjaar was qua leerstof

niet zo uitdagend voor mij en ik had veel tijd over.

Nu zit ik in het eerste middelbaar en volg ik Latijn

mee met een klas van het tweede middelbaar. De

lessen die ik daardoor mis in het eerste jaar, haal

ik zelfstandig in. Ik kan wel altijd hulp vragen aan

mijn leraren als dat nodig zou zijn.”

carrières, maar dat dit verband veel minder sterk wordt

wanneer het gecorrigeerd wordt voor voorafgaande

prestaties, interesses voor STEM, STEM-gerelateerde

ervaringen vóór het middelbaar (bv. deelname aan

wiskundekampen) en achtergrondkenmerken. Dit toont

aan dat de geobserveerde voordelen van AP veeleer

gelinkt zijn aan het feit dat gemotiveerde, hoog pres­

terende leerlingen geselecteerd werden voor deel­

name dan aan de deelname op zich. Deelnemen aan

AP-cursussen ondersteunt met andere woorden gemo­

tiveerde, hoog presterende leerlingen, maar verhoogt

de motivatie niet automatisch.

Op sociaal vlak blijkt dat leerlingen die cursussen

zoals AP volgen, deel uitmaken van grotere en meer

academisch-georiënteerde vriendengroepen28. Deze

verschillen blijven zichtbaar na controle voor eerdere

prestaties, motivatie, achtergrondkenmerken en

schoolcontext. Vakken op gevorderd niveau (zoals AP)

kunnen een stimulerende context bieden, waar leer­

lingen in contact komen met peers die sterk betrokken

zijn bij school en leren.

21

Versnellen

Gelijktijdige inschrijving

De meta-analyse16 rapporteert voor gelijktijdige

inschrijving kleine tot matige positieve effecten

op leerprestaties en kleine positieve psychologi­

sche effecten. In de meta-analyse16 werden geen

studies opgenomen die de effecten op sociaal vlak

onderzochten.

Recenter onderzoek29 stelt vast dat studenten die

gelijktijdig vakken volgen in het secundair en het hoger

onderwijs zich beter voorbereid voelen op het hoger

onderwijs. Dat geldt in het bijzonder voor studenten

met een lagere sociaaleconomische status (SES). Dit

wijst erop dat deze vorm van versnellen leerlingen beter

vertrouwd kan maken met de verwachtingen van het

hoger onderwijs en ervoor kan zorgen dat ze zichzelf

beter geschikt vinden om te starten aan een studie

in het hoger onderwijs. In Vlaanderen is het mogelijk

voor leerlingen om vakken in het hoger onderwijs op te

nemen (en creditbewijzen te behalen door succesvol

examens af te leggen) terwijl ze les volgen in de derde

graad secundair onderwijs.

‘Early College High School’ (EC) is een specifieke vorm

van gelijktijdige inschrijving die in de Verenigde Staten

wordt georganiseerd. Leerlingen volgen secundair

onderwijs en behalen tegelijk studiepunten in het hoger

onderwijs, vaak via een structurele samenwerking tus­

sen een middelbare school en universiteit. Anders dan

bij standaard gelijktijdige inschrijving gaat het meestal

niet om één los vak, maar om een volledig schoolmodel

met intensieve begeleiding en ondersteuning bij de

overgang naar hoger onderwijs. Bovendien zijn EC’s

vaak expliciet bedoeld om de toegang tot hoger onder­

wijs te verbreden, bijvoorbeeld voor leerlingen uit kan­

sengroepen, eerste-generatiestudenten of leerlingen

met risico op schooluitval. Ze combineren uitdagende

leerstof met begeleiding en praktische stappen zoals

inschrijving en financiële ondersteuning.

Leerlingen die via loting een plaats aangeboden kregen

in een ‘Early College High School’ schreven zich vaker

in het hoger onderwijs in en behaalden ook vaker een

diploma in vergelijking met vergelijkbare leerlingen die

zich hadden aangemeld maar niet werden ingeloot30.

Mina (11 jaar, zesde leerjaar): “Ik zit in het zesde

leerjaar en ga twee keer per week 3 lesuren naar

het middelbaar. Ik doe daar Frans en Latijn mee

met een klas van het eerste middelbaar. In mijn

klas op de lagere school hebben we elke dag een

uurtje waarin we zelfstandig mogen werken. Ik doe

dan de lessen en de taken die ik gemist heb omdat

ik naar het middelbaar was. Dat lukt goed, ik heb

meestal geen hulp van de juf nodig. Ik ben blij dat

ik dit kan doen, nu is het minder spannend om

naar het middelbaar te gaan.”

Liene (18 jaar, zesde jaar secundair onderwijs):

“In het eerste trimester van dit schooljaar volgde

ik een vak aan de universiteit. Wij kregen aan het

einde van het vijfde middelbaar een mailtje van

de school waarin stond dat we, als we wilden, een

vak konden volgen aan de unief en dat leek me wel

interessant. Ik moest dan naar een info-moment

en op gesprek en toen zei de klassenraad dat ik

dat mocht doen. Ik wil talen gaan studeren en

toevallig kon ik een taalvak gaan volgen, dus ik heb

daarvoor gekozen. Ik vond het heel fijn om te doen,

want nu weet ik dat het echt iets voor mij is en dat

ik dat kan, naar de universiteit gaan. Mijn jaargenoten

wisten ook dat ik eigenlijk nog in het zesde middelbaar

zit, want de professor had dat tijdens de eerste les

gezegd. Ze vonden dat best cool en behandelden me

niet anders of zo. Ook in mijn klas op school kreeg ik

wel vragen, maar alleen uit interesse. Ik kreeg geen

scheve opmerkingen. Het was ook wel best pittig, want

ik moest de lessen die ik op school miste zelf inhalen. Ik

kon wel hulp vragen aan de leraren als dat nodig was. Ik

zou het zeker aanraden aan anderen om te doen, maar

dan zou ik wel eerst een vakversnelling doen zodat je

meer ruimte hebt om dat extra vak te volgen.”

Leon (15 jaar, zesde jaar secundair onderwijs): “Ik heb in

het eerste semester van het zesde middelbaar econo­

mie gevolgd aan de universiteit. Ik koos voor economie

uit interesse, ik wil dat niet per se gaan studeren vol­

gend jaar. Ik heb in het vijfde jaar een vakversnelling

Frans gedaan zodat ik in het zesde jaar een vak aan de

universiteit kon opnemen. Nu volg ik geen vak meer aan

de universiteit, maar doe ik projectwerk terwijl mijn klas

Frans heeft. Ik vond het echt heel leuk om naar de uni­

versiteit te kunnen gaan.”